Categorie: Media

Berichten in de media

Annagreets leven zonder reukzin

Redactie | Daryl Jie

“Huh, kun je niet ruiken?” is de vraag die Annagreet vaak met grote verbazing gesteld krijgt. Ze geeft aan dat mensen zich geen voorstelling kunnen maken van een leven zonder reukzin. Feit is dat deze idiopatische congenitale anosmie altijd onderdeel van haar leven is geweest.

“Bij hele sterke geuren zoals azijn of menthol voel ik wel een soort van tinteling. Als ik dan een pepermuntje neem, voel ik wel de frisheid ervan. Als kind woonde ik ook in de buurt van een pepermuntfabriek en had ik altijd het idee de geur die ervan kwam te ruiken. Dit was voor mij het teken dat ik wel kon ruiken maar dan wellicht niet zo goed als anderen. Helaas bleek dit een illusie.”

Meer genieten van geluiden bij anosmie?

Ze was rond de 12 toen ze erachter kwam dat er iets mis was met haar reukvermogen. Verschillende onderzoeken wezen helaas niet uit wat de oorzaak is van haar anosmie, maar dat ze inderdaad niet kan ruiken bleek het geval. Dit was voor haar aanleiding om meer te leren over de aandoening, want naar eigen zeggen is er bij specialisten weinig bekend. Hieraan ligt ten grondslag dat er maar weinig mensen zijn met deze vorm.

Daar waar het ene zintuig aangetast is, zijn de anderen juist beter ontwikkeld wordt vaak gezegd. Bij blindheid zou het gehoor versterkt zijn en bij doofheid het zicht. Niets van dat bij een onvermogen om te ruiken als we haar mogen geloven. “Ik merk bijvoorbeeld wel dat ik meer kan genieten van geluiden. Zoals het geritsel van de bladeren van de bomen. Dan denk ik echt “wat een fijn geluid”.”

Textuur van voedsel

Voor Annagreet is het lastig te beoordelen in welke zin de anosmie invloed heeft op haar smaak. “Mijn smaakbeleving is in ieder geval anders. Een van de keren waarin dit duidelijk werd was tijdens een etentje met mijn vriend. Hij vroeg mij te proeven hoe lekker de aardappelen waren gekruid, en mijn antwoord was: “Ja, lekker zout”. Waarop hij zei: “Je proeft toch wel meer dan alleen zout”, maar dat was gewoon echt niet het geval”, vertelt ze lachend. Verder geeft ze aan meer op de textuur van voedsel te letten, bijvoorbeeld de romigheid van een saus.

“Kon ik dat ook maar ruiken”

Voor iedereen met een aangeboren aandoening geldt vaak dat je eigenlijk niet beter weet dan hetgeen dat je kent. Desondanks kent ze soms moeilijke momenten. “Ik kan soms sterk balen, tot aan janken toe.” Ze legt uit dat ergens toch een gemis is. Dit wordt versterkt door alles in haar omgeving. Mensen zijn zich er niet van bewust hoe vaak ze het hebben over de geuren van allerlei dingen. Waarvan zij dan denkt: “Kon ik dat ook maar ruiken.” Maar er zijn ook voordelen. Zelf woont ze op het platteland en ondervindt bijvoorbeeld geen hinder van mestlucht.

Als ze op straat loopt of in winkels zegt Annagreet soms net te doen of ze wel kan ruiken. “Als ze dan vragen: “Moet je eens ruiken wat lekker”, zeg ik gewoon ja, inderdaad en dan loop ik weer verder. Dit bespaart de moeite om telkens te moeten uitleggen dat je niet kunt ruiken.”

Benauwde en ongemakkelijke momenten

Hoewel levensbedreigende situaties zich vooralsnog niet hebben voorgedaan, heeft ze wel benauwde en ongemakkelijke momenten gekend. Het eerste wat haar bijstaat zijn de oppasmomenten als tiener. “Ik paste weleens op baby’s maar had dan geen idee wanneer ze in hun broek hadden gepoept.” Onaangename luchtjes zoals zweet zijn ook een ding. Zelf heeft ze het voordeel dat ze zweet niet ruikt, maar dat geldt ook bij haarzelf. Een keer droeg ze na een avondje stappen de volgende dag hetzelfde shirtje, dat niet zo fris meer rook. “Dit zorgde voor scheve gezichten dus nu vraag ik af en toe even advies aan mijn vriend.”

Andere benauwde momenten die ze zich herinnert zijn de keer dat ze thuis onbedoeld een pizza had laten verbranden. En toen ze als kind met haar familie naar een vakantiehuisje ging en daar nietsvermoedend een paar minuten lang binnen zat terwijl het gasfornuis nog aan stond. Haar ouders waren nog de spullen aan het uitpakken, dus pas toen haar moeder binnenkwam kwam ze hierachter. Beangstigen dit soort situaties je niet? “Ik ben niet per se angstig, maar ik let er wel meer op en vind het bijvoorbeeld belangrijk dat er overal brandmelders hangen in huis.”

Pas gemaaid gras

Om soms toch een voorstelling te kunnen maken van bepaalde geuren, praat ze met name met haar directe omgeving. “Van sommige dingen ben ik toch wel nieuwsgierig hoe het ruikt en dan vraag ik bijvoorbeeld aan mijn vriend om hiervan een omschrijving te geven. De geur van pas gemaaid gras is een van de dingen waarnaar ik altijd benieuwd ben.” Op de enigszins gemene vraag, “Wat zou je willen ruiken als je een keer iets zou mogen ruiken?”, staat dat dan ook bovenaan haar lijstje. Nummer twee en drie zijn pizza of de parfum die ze altijd gebruikt. Deze heeft ze ooit een keer van haar zus gekregen en is het enige luchtje dat ze opdoet.

Ooit zou ze er nog achter willen komen wat de oorzaak is van haar anosmie. Ze geeft aan het reuk- en smaakcentrum te zullen bezoeken als de wachtlijsten daar zijn afgenomen. Op de kans van genezing heeft ze zich echter bij neergelegd. “Tuurlijk zijn er momenten dat ik het jammer vind niet te kunnen ruiken, maar dat gaat weer voorbij en dan heb ik er weer vrede mee.”

Eigenlijk eet ik met mijn ogen

Dorien kan al haar hele leven lang niet ruiken. Met deze aandoening valt prima te leven, vindt ze zelf, maar het kan wel gevaarlijk zijn.

Dorien: ‘Mijn moeder kan niet ruiken’. Dat wist ik al, voordat ik ontdekte dat ik zelf ook niet kan ruiken. Als ik met mijn ouders en drie jaar oudere zus in de auto zat, en we reden langs een weiland, riepen mijn vader en zus wel eens: ‘Wat stinkt het hier!’ Ik rook dan helemaal niets. Maar ik dacht: ‘Misschien ben ik verkouden, of heb ik een iets minder sterke reuk’.

Aangeboren anosmie

Toen ik een jaar of zes was, kwam de echte bevestiging. Op de basisschool deden we een spelletje, waarbij potjes met een deksel erop rondgingen in de kring. Iedereen moest in het potje ruiken en vertellen wat hij of zij rook. Alle kinderen zeiden citroen, maar ik rook helemaal niets. Ik zei gewoon na wat de anderen hadden gezegd, dat het dus citroen was. Ik schaamde me er niet voor, maar dacht dat ik het misschien niet goed had gedaan. Dat ik niet goed had ingeademd bijvoorbeeld. Maar toen mijn moeder me ’s middags van school haalde, zei ik tegen haar: ‘Mam, volgens mij kan ik ook niet ruiken’. Ik vertelde haar het verhaal over het spelletje met de potjes. Mijn moeder antwoordde: ‘Ach nee toch, dat heb je van mij’.

We zijn naar de huisarts gegaan. Die hoorde ons verhaal aan en zei dat ik inderdaad ook anosmie de benaming voor het gebrek aan reukzin, heb. Hij zei dat hij nog nooit had meegemaakt dat de aandoening erfelijk was, wat in ons geval aannemelijk is. Er is geen medisch onderzoek naar mijn reukzin gedaan. Ik kon niet ruiken, dat was wel duidelijk, en verder was er niets aan te doen. Er bestaat geen behandeling voor. Zeer waarschijnlijk heb ik aangeboren anosmie.

Ik kan me niet herinneren dat ik ooit heb geroken. Dat maakte het een stuk makkelijk om het te accepteren: wat je nooit hebt gehad, mis je ook niet. Het schijnt dat zo’n zeventig procent van alles wat je proeft, eigenlijk komt doordat je het ruikt. Ik heb dus ook een beperkte smaak. De basissmaken zoet, zuur, zout en bitter proef ik wel, maar daarbuiten weinig. Zo proef ik wel het verschil tussen kruidenthee en earl grey, maar niet tussen bosvruchten- of aardbeienthee, want die zijn allebei zoet.

Ik vind koken ook helemaal niet leuk. Als ik wél kook, vraag ik altijd aan mijn vriend welke kruiden erin moeten. Ik doe al snel te veel zout in mijn gerechten, want dat proef ik heel goed en vind ik ook lekker. Bij voedsel let ik meer op hoe het eruit ziet. Zo hou ik niet van mosselen, want die zien er maar vies uit. Ik eet eigenlijk met mijn ogen.

Aardappels branden aan

Met anosmie valt goed te leven, ik ervaar het niet als een beperking. Toch is het soms lastig. Ik heb twee kinderen: Lars van drie jaar en Simon van zeven maanden. Bij Simon kijk ik wel zes keer per dag in zijn luier of hij verschoond moet worden, want dat ruik ik dus niet. Het lijkt misschien een voordeel dat ik vieze geuren niet ruik, maar dat kan ook gevaarlijk zijn. Ik ruik bijvoorbeeld ook geen bedorven voedsel. Als iets over de houdbaarheidsdatum heen is, gooi ik het altijd weg. En ik ruik dus ook geen gas of brand. Aan gas is een geur toegevoegd om mensen er alerter op te maken. Ik denk wel eens: ‘Had er maar kleur aan toegevoegd!’

Toen ik nog in een studentenhuis woonde, is daar een keer brand uitgebroken. Eén van mijn huisgenootjes riep dat er brand was en we zijn allemaal snel naar buiten gerend. Al mijn spullen roken daarna naar brand, hoorde ik van anderen. Een paar spullen heb ik toch bewaard, omdat die emotionele waarde hebben. Onlangs trok een vriend van mij een boek uit mijn kast en zei: ‘Deze had je nog van voor de brand, hè?’ Blijkbaar ruikt het boek er nog steeds naar, terwijl de brand al zo’n tien jaar geleden is gebeurd.

Doordat ik anosmie heb, ben ik extra oplettend. Zo controleer ik altijd of het gas uitstaat voordat ik de deur uitga en in mijn huis hangen rookmelders, al is dat meer omdat ik al eens eerder brand heb gehad. Ik heb ook een keer meegemaakt dat mijn moeder en ik aan het koken waren en gezellig in de keuken stonden te kletsen. Toen mijn vader thuiskwam, zei hij meteen: De aardappels branden aan! We stonden ernaast, maar hadden het niet door. Met zulke dingen moet ik oppassen.

Soms leidt mijn anosmie ook tot grappige situaties. Zo liep ik een keer met een paar vriendinnen in de stad. We wilden ergens iets gaan drinken, en ik riep: ‘Hier is een café!’ Ik liep zo een coffeeshop in. Mijn vriendinnen hadden de wietlucht al voor de deur geroken…

Nooit rare opmerkingen

Ik vind het soms wel jammer dat ik een stukje extra beleving mis doordat ik niet ruik. Soms hoor ik wel eens van vriendinnen dat een bepaalde geur een herinnering oproept. Dan zegt één van hen: ‘Zo rook het vroeger bij mijn oma thuis’. Of als ik samen met mijn vriend aan het winkelen ben, en hij ineens een gebraden kip of patat ruikt en daar meteen trek in krijgt. Ik moet het eten eerst zien voordat ik er zin in heb. Ik ben niet jaloers op anderen dat zij wel kunnen ruiken, maar ik ben er soms toch nieuwsgierig naar. Zo ben ik heel benieuwd hoe mijn vriend en kinderen ruiken.

Doordat ik anosmie heb, let ik extra goed op mijn persoonlijke verzorging. Mijn dagelijks leven is soms best hectisch. Ik ben interieurarchitect en heb mijn eigen bedrijf Buitenste-binnen, en daarnaast ben ik tutor op de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Als ik een heel drukke dag heb gehad, ben ik wel eens bang dat ik naar zweet ruik. Ik kan het niet controleren, dus als ik twijfel – meestal voel je het wel als je zweet – gebruik ik deodorant.

Soms ben ik ook bang dat ik uit mijn mond ruik. Maar ik poets mijn tanden goed en heb altijd kauwgom bij me. En kleding die ik heb gedragen na een avond in een café te hebben gezeten, gooi ik voor de zekerheid altijd in de was. Ik draag parfum, mijn vriend kiest altijd het geurtje voor me uit. Ik vertrouw erop dat hij iets lekkers kiest.

Ik heb nooit rare opmerkingen van mensen gekregen als ik vertel dat ik niet kan ruiken. Veel mensen vinden het juist alleen maar interessant. Ze stellen allerlei vragen, hoe dat dan komt en hoe lang ik dat al heb. Ik merk dat maar weinig mensen weten wat anosmie is.

Ervaringen uitwisselen

Of mijn kinderen ook niet ruiken, weet ik niet precies. Het is niet iets wat je medisch kunt onderzoeken, we komen er waarschijnlijk vanzelf achter als ze iets ouder worden. Over de erfelijkheidsfactor van anosmie is nog veel onbekend. Onlangs kwam ik via internet terecht op de website van de Anosmievereniging.

Het lijkt me interessant om binnenkort naar een congres dat zij organiseren heen te gaan, om meer informatie van artsen te horen over de aandoening. Gelukkig heb ik altijd al iemand in mijn omgeving gehad met wie ik ervaringen kon uitwisselen over anosmie: mijn moeder. Dankzij haar heb ik me nooit alleen gevoeld hierin.


De feiten: Anosmie

Anosmie is het gebrek aan reukzin, oftewel: mensen met anosmie kunnen niet ruiken. De aandoening kan zowel tijdelijk zijn als permanent. Sommige mensen met anosmie kunnen helemaal niets ruiken, anderen ruiken alleen enkele specifieke geuren.
Naast een genetische factor kan letsel aan het voor- of achterhoofd de oorzaak zijn. Hierbij kunnen de reukzenuwen gebroken of uitgerekt worden waardoor de reukzin wordt beperkt of verloren gaat. Het reukvermogen kan ook worden aangetast door een virusinfectie zoals griep. Chemische verbranding, veroorzaakt door chemicaliën in bijvoorbeeld schoonmaakmiddelen, kan de reukzin ook beschadigen. Bovendien kunnen ziekteprocessen in de neusholten de boosdoener zijn.
Veel mensen met anosmie kunnen nog maar weinig proeven. Anosmie kan daarom een heel gevaarlijke aandoening zijn. Zo kunnen mensen met anosmie het niet waarnemen als  voedsel bedorven is. Bovendien waarschuwt hun neus hen niet voor brand, gas of benzine.
Het is onduidelijk of anosmie erfelijk is. In Nederland zijn er naar schatting tussen de 250.000 en 300.000 mensen met een lichte of ernstige vorm van een reuk- en smaakstoornis.



Naar boven ↑

Kon ik maar ruiken

Hedda Roos (31) weet niet beter of de wereld is geurloos. Sinds haar geboorte heeft ze anosmie: toen die ammoniak onder mijn neus werd geduwd, merkte ik niets.

Ik heb een database in mijn hoofd met allerlei weetjes over geuren. Loop ik langs een bakker? Dan weet ik dat het heel lekker ruikt. Hondenpoep? Dan trek ik nog net niet mijn neus op. Niet dat ik dan normaal wil lijken door het passende gezicht te trekken, maar het verklaart voor mij waarom mensen zo kijken.

In mijn hele leven heb ik nog nooit iets kunnen ruiken. Ik heb dus geen herinneringen aan prettige geuren of vieze luchtjes. Dat is soms heel handig: een vieze geur beïnvloedt mijn gevoel niet. Maar aan de andere kant denk ik ook vaak: ‘Stink ik?’ Het woord stank hangt als een zware donderwolk boven mijn hoofd. Ik vergeet soms dat ieder mens weleens stinkt, dat het je dan niet meteen tot een vies persoon maakt.

Kauwgom na kauwgom

Mensen luisteren altijd vol interesse als ik erover vertel. Toch maakt het me ook onzeker en frustreert het me soms. Omdat ik niet weet of ik nog wel lekker ruik. Soms neem ik voor de zekerheid een extra douche. En weet ik niet zeker of ik mijn shirtje wel of niet heb gewassen, dan gooi ik het nog een keer in de wasmachine. Mijn eigen adem kan ik niet controleren en niemand zal zeggen dat ik uit mijn mond stink. Als ik wat minder goed in mijn vel zit, stop ik kauwgom na kauwgom in mijn mond.

Omdat ik niet weet wanneer iets stinkt, hebben vrienden beloofd me altijd te waarschuwen als ik niet lekker ruik. Toch heeft bijna niemand dat ooit gedaan. Dus of ik stink haast nooit of ze durven het niet te zeggen. Ik vind het moeilijk volledig op mijn vrienden te vertrouwen, daarom gebruik ik de regels die mijn moeder me heeft geleerd. Ze vertelde me vroeger dat ik kleding nooit langer dan twee dagen moet dragen.

Zelf heb ik nog nooit stinkende kleding geroken, dus ik kan niet echt bedenken dat een geur een kledingstuk ook vies maakt. En ik kan me al helemaal niet voorstellen hoe dat dan ruikt. Het ziet er toch ook niet vies uit? Ik heb echt moeten leren dat die ‘tweedagenregel’ niet opgaat als je een avond hebt gedanst in een discotheek of in een rokerige ruimte hebt gestaan. Toen er nog geen rookverbod gold, heb ik mijn naar rook stinkende shirtje de volgende dag doodleuk nog eens aangetrokken. Toen vertelde vriendinnen me wel dat ik dat maar beter niet kon doen. Ik heb gelukkig nooit het idee gehad dat ik er niet bij hoorde, of zo. Vrienden vergeten soms dat ik niets ruik, dan houden ze me iets onder m’n neus: ‘Ruik eens’. Ik kan er wel om lachen.

Stankoverlast

Als ik terugdenk aan vroeger, weet ik niet precies wanneer ik besefte dat ik niks kan ruiken. Voor mijn ouders was het de gewoonste zaak van de wereld, mijn vader heeft ook nooit kunnen ruiken. Waarschijnlijk heb ik het van hem geërfd, maar dat is nooit onderzocht. Vroeger vonden andere kinderen mijn afwijking interessant en deden ze proefles met me. Op de middelbare school duwden medescholieren een keer een reageerbuis met ammoniak onder mijn neus. ‘Ruik je ook dit niet?’ ik dacht ergens ver weg iets zoets te ruiken en mijn lichaam reageerde wel, ik werd namelijk een beetje draaierig. Maar verder merkte ik niets. Ik stond nog stevig op beide benen, terwijl je normaal gesproken achterover zou vallen van zo’n sterke lucht. Die leerlingen op school deden dat trouwens niet om te pesten, gelukkig heb ik daar geen last van gehad. Wel is het soms pijnlijk als mensen grapjes maken. ‘Welk wasmiddel gebruik je?’ vragen ze dan snuivend. Zo’n grap kan ik dan niet zo goed hebben. Het maakt me onzeker, omdat ik dan denk dat ik stink.

Behalve ikzelf, kan natuurlijk ook iets in mijn omgeving stinken zonder dat ik het merk. Planten of spullen in mijn tuin bijvoorbeeld. Daarom vertel ik het mensen om me heen meestal wel, bijvoorbeeld een nieuwe buurman. Zo kan hij een oogje in het zeil houden. De woningbouwvereniging wees me namelijk een keer via een brief op de stankoverlast die ik had veroorzaakt. Er had twee weken een vuilniszak staan stinken op mijn balkon. Hij stond om het hoekje, zodat ik hem niet kon zien. Ik was hem finaal vergeten. Nu komen buren langs, als ik weer zoiets vergeet of niet opmerk.

Soms is het handig dat ik stank niet ruik. Als op een toilet iemand flink naar de wc is geweest, stap ik daarna doodleuk naar binnen. Van vrienden weet ik dat poep ontzettend moet stinken, maar ik ruik lekker niets. Ik zie mensen weleens raar kijken: ‘Hoe kan ze die lucht verdragen?’ Aan de andere kant: geur is natuurlijk niet alleen maar vies.

Een geurtje koop je om lekker te ruiken. Ook ik in een parfumerie pakte ik automatisch het flesje dat er het mooiste uitzag. Die zou toch wel het lekkerste ruiken? Vriendinnen hebben toen weleens gezegd: ‘Mooi flesje Hedda, maar dat geurtje is vreselijk!’ Ik neem hen daarom altijd mee om parfum te kopen. Ik zeg dan voor welke gelegenheid ik een luchtje zoek en zij vertellen me welk geurtje bij een romantische avond of bij een dagje werk past.

Lavendel, dat moet echt heerlijk zijn! Vroeger ging ik bijna elke zomer met mijn ouders op vakantie naar Frankrijk en daar zag ik die prachtige lavendelvelden, zo mooi! Veel mensen praten over de geur van lavendel. Het zit in douchegel, je legt kussentjes lavendel in je kast… En aan geuren hangen herinneringen, je associeert ze met gebeurtenissen. Jammer dat ik dat niet kan.

Verkoolde kegeltjes

Maar ook al kan ik niet ruiken, proeven kan ik gelukkig wel. Alleen doe ik dat op een andere manier dan normale mensen. Het aroma van eten proef je normaal gesproken door je neus. Ik niet. Ik proef met mijn tong en let daardoor vooral op de structuur van eten. Zit er een graatje in mijn vis of een botje in mijn vlees? Sommige mensen schuiven iets naar binnen zonder daar bij na te denken. Ik denk juist na bij wat ik zie, kauw en proef. Zoet, zuur, zout en bitter kan ik in mijn mond onderscheiden, maar twee droge wijnen uit elkaar houden dat lukt niet.

Behalve lastig, kan anosmie ronduit gevaarlijk zijn. Brandlucht, gaslucht: ‘Ik ruik het niet’. Daarom let ik altijd goed op. Staat het gas wel uit, heb ik nergens een kaarsje aan laten staan? Ik kan niet denken: ‘Ik merk het wel, als ik het vergeten ben’. Ik heb het gevoel dat ik een zesde zintuig heb om me te redden uit dat soort situaties. Ik voel me onrustig als ik weet dat het gas misschien nog aan staat. Dat hebben andere mensen natuurlijk ook, maar die ruiken het op den duur. Ik niet. Zo ben ik een keer mijn afbakbroodjes vergeten. Pas toen het hele huis blauw zag van de rook, ging er een belletje rinkelen: mijn broodjes! Als verkoolde kegeltjes kwamen ze uit de oven.

In mijn vorige woning had ik een gaskachel. Een monteur wees me er tijdens een onderhoudsbeurt op dat mijn kachel kon gaan lekken. ‘Een wonder dat het tot nu toe goed is gegaan’, voegde hij eraan toe. Daar schrok ik van een gaslucht zou ik nooit ruiken. Ik voelde me echt niet meer veilig thuis. De kachel zette ik daarom uit. Met als gevolg dat het binnen tien graden was, midden in de winter. In de keuken en de badkamer vroor het zelfs weleens. Omdat ik me veiliger wilde voelen, ben ik verhuisd naar een huis op de begane grond en met centrale verwarming. Gebeurt er nu iets, dan kan ik snel mijn huis uit vluchten.

Viel bijna flauw

Bij een gespecialiseerde arts in Delft heb ik een hele berg geurtjes getest om te kijken hoe het ervoor stond met mijn reukvermogen. Uit al die luchtjes moest ik zeggen welke dezelfde waren. Ik snoof en snoof, maar had geen flauw idee. De vrouw die me testte, rook na al mijn mis-matches zelf maar eens aan de flesjes om te kijken of ze nog wel werkten. Bij de bedorven vislucht gaf ik geen krimp, zij viel bijna flauw. Nu zeggen de dokters tegen me dat ik er maar mee moeten leren leven. Ik vind dat wel wat makkelijk, maar wat moet ik?

Ik heb mijn leven zo ingedeeld dat ik met mijn anosmie om kan gaan. Dat moet ook wel, want er is – nog – geen effectieve behandeling ontwikkeld. Er is ook nog niet zo veel onderzoek naar gedaan; onderzoek naar blindheid en doofheid krijgt voorrang. Dat snap ik wel. Beter mijn handicap, dan niets kunnen zien of horen, vind ik. Ik heb ook het idee dat mijn smaak beter ontwikkeld is dan bij mensen die kunnen ruiken. Net zoals bij blinden en doven hun andere zintuigen scherper zijn, ter compensatie. Maar komt er een implantaat waarmee je kunt ruiken, dan sta ik vooraan in de rij.


Wat is anosmie?

Heb je anosmie, dan ben je je totale reukvermogen kwijt. Je kunt je reukzin al bij je geboorte missen, maar ook op latere leeftijd verliezen. De oorzaken zijn verschillend. Door letsel aan je voor- of achterhoofd kunnen je reukzenuwen afbreken of uitgerekt worden. Ook kan het genetisch bepaald zijn, veroorzaakt worden door een virusinfectie zoals griep, of komen door het inademen van gifstoffen. Soms kunnen mensen herstellen van anosmie, Waar het een gevolg is van trauma of een virusinfectie. Helaas wordt er vaak gezegd: Je moet ermee leren leven.



Naar boven ↑

Ik ga nog steeds heel graag uit eten

Het is lastig als je niet kunt ruiken, maar voor Anky van Beurden gaat het leven door. En ze blijft genieten. Ik heb tien minuten gehuild en toen dacht ik: ‘Jammer’. Ik had ook een dwarslaesie kunnen hebben of mijn nek kunnen breken, bedacht ik.

Bitterballen vindt ze tegenwoordig heerlijk. Het liefst met een flinke lik scherpe mosterd. Het is de structuur – van buiten krokant, van binnen zacht – die de bitterbal lekker maakt. Anky van Beurden (1953) is een van de naar schatting een kwart tot een half miljoen ‘anosmozen’ in Nederland. Ruiken en proeven kan zij niet meer. Haar persoonlijke verhaal.

Reukzenuwen afgescheurd

Vorig jaar augustus, hoogzomer. Voor een bruiloft waren mijn man en ik in Zuid-Frankrijk op vakantie. Op een avond – het was pikdonker, zoals het daar kan zijn – viel ik bij het naar bed gaan van een verhoging en kwam ik terecht op mijn achterhoofd. Een hersenschudding. Ik was even weg, verder leek er niets aan de hand. Een paar dagen later reden we terug naar Nederland. In mijn herinnering hebben we onderweg naar huis nog een paar keer heerlijk gegeten. Achteraf weet ik niet meer wanneer ik nog wel kon ruiken en wanneer het ophield.

De dinsdag na thuiskomst stond ik te koken voor vrienden. Ik had een boeuf bourguignon gemaakt, met champignons, uien, knoflook, paprika’s, maar ik rook het niet. Mijn man vond dat het heerlijk rook. Vrienden die kwamen eten vonden het ook lekker. Ik rook niks. Van anosmie had ik nog nooit gehoord. De volgende dag belde ik de huisarts. Niet kunnen ruiken kan volgens hem heel lang duren. Het kwam door die val, in Frankrijk. De neurologe bij wie ik twee weken later mocht langskomen zei: ‘Ik moet u teleurstellen, maar uw reukvermogen komt nooit meer terug’. Mijn reukzenuwen waren afgescheurd. Alles in je lichaam groeit weer aan – spieren, botjes, alles – maar niet je reukzenuwen. De neurologe adviseerde me om elektrisch te gaan koken en rookmelders in huis op te hangen.

Ik heb tien minuten gehuild en toen dacht ik: ‘Jammer’. Ik had ook een dwarslaesie kunnen hebben of mijn nek kunnen breken, bedacht ik. Thuisgekomen ging ik onmiddellijk googlen en kwam ik terecht bij Anosmievereniging. Dezelfde dag werd ik lid van de vereniging, binnen twee maanden was ik bestuurslid. Hartstikke lastig, anosmie, maar je moet vooral niet in een hoekje gaan zitten. Hoewel – ik realiseer me dat ik makkelijk praten heb. Er zijn mensen die depressief raken nadat ze ineens niet meer kunnen ruiken. Er zijn ‘anosmozen’ die geen enkel plezier meer beleven aan eten en die zelfs bijna nooit meer buiten de deur eten.

Daar heb ik geen last van. Ik ga nog steeds graag uit eten, ik ben nog steeds gek op lekker koken. Hoewel ik nu vaker mijn man even vraag om te proeven en me meer dan voorheen aan het recept houd. Ik kan niet meer onbeperkt experimenteren met kruiden, zoals ik vroeger wel deed, want daarvoor moet je echt kunnen proeven. En ja, ik heb ook wel eens een mislukte maaltijd aan mijn gasten voorgezet.

Umami Paste

Omdat ik niets ruik of proef, hecht ik meer waarde aan de structuur van eten. Ik ben gek op cappuccino – dat schuim is lekker. Als het dan ook nog in een gekleurd kopje zit, vind ik dat helemaal leuk. Of sinaasappelsap uit een keukenmachine, met een laagje schuim erop, ook fijn. Ik houd ook nog steeds van een goed glas wijn. Chardonnay vind ik vaak wat waterig, Sauvignon en Pinot zijn fruitiger. Prosecco is, vanwege de bubbels, voor mij een traktatie.

Je moet het leuk maken voor jezelf. Ik eet geregeld een dikke snee Waldkornbrood, met daarop scherpe Roquefort en een beetje aardbeienjam. In een kookboek, geschreven door een ‘anosmoos’, vond ik de ‘Sechuan Button’, een klein bloemknopje uit Zuid-Amerika. Als ik daar langzaam op kauw, voel ik een soort smaakexplosie in mijn mond.

Ook heb ik stad en land afgezocht naar ‘Umami Paste’. Ik vond het uiteindelijk in een supermarkt in het Belgische Hasselt en later ook hier in Nederland. Umami Paste – in het Japans betekent umami ‘smakelijk’ – is een pasta gemaakt van ansjovis, eekhoorntjesbrood, Parmezaanse kaas en zongedroogde tomaatjes. Het is aangenaam hartig. Ik smeer het overal overheen, zelfs over een saucijzenbroodje.

Niet vaker in bad

Sinds ik niet meer ruik zijn mijn andere zintuigen voor mijn gevoel beter gaan werken. Ik zie beter, neem kleuren scherper waar en hoor ook meer. Laatst nog – mijn man en ik wandelden met de hond in het bos. Het regent, zei ik. Ik hoorde het geluid van druppen op bladeren. Welnee, zei mijn man. Maar even later voelden we het allebei. Ik zie ineens veel meer kleuren, ik zie bloemen die ik eerder niet zag.

Ik lijd niet. Het niet kunnen ruiken heeft me niet onzeker gemaakt, zoals ik wel eens hoor van anderen. Nee, ik poets mijn tanden niet vaker dan een ander, ik ga niet vaker in bad. Hooguit neem ik af en toe het zekere voor het onzekere: een blouse die ik al een dag heb gedragen, gooi ik eerder in de was. Wij ‘anosmozen’ hebben meer was dan een ander.


Dit artikel verscheen op 29-11-2015 in de Telegraaf. Tekst: Hinke Hamer


Naar boven ↑

Ik douchte drie keer per dag

Naar schatting 250.000 tot 300.000 mensen in Nederland kunnen niet ruiken. Toch is het een onbekend probleem, ook bij artsen, zeggen ze bij de Anosmievereniging. Dat moet anders, omdat de gevolgen voor wie het overkomt heftig kunnen zijn.

Anke Meijer, secretaris van de belangenvereniging, kent er die met hun reuk ook hun baan kwijtraakten: een brandweerman, een verpleegkundige, een kok. Zelf verloor de Amsterdamse haar reuk en deels haar smaak na een val met de fiets. Een zware hersenschudding was het gevolg. Het was pas een paar dagen later dat ze zich realiseerde dat ze niets meer rook en proefde.

Via huisarts en kno-arts kwam ze bij een neuroloog terecht. Een MRI-scan gaf geen duidelijkheid. Waarschijnlijk zijn er zenuwen afgescheurd, maar te zien is dat niet. De neuroloog zei dat ik er mee moest leren leven. Pas toen besefte ik wat het betekende. Nadat ook acupunctuur niet hielp, sloeg de paniek toe. Ik hou erg van koken, eten, het hele sociale gebeuren, en dacht: ‘Dat is dus over’.

Knapperig is lekkerder

Het eerste jaar was moeilijk, vertelt ze. Maar Anke Meijer, zelfstandig ondernemer, is niet het type dat bij de pakken neerzit. Ik heb gezegd: ‘Zo gaat het niet’. Dus ik ben weer gaan koken en heb er mijn weg in gevonden. Ik doe het deels op de herinnering: ‘Ik herinner me geuren, dus als ik dit kruid gebruik moet het zo gaan smaken’. Alleen zoet, bitter, zuur en pittig kan ik proeven. Dus ik kook veel pittiger dan vroeger. Structuur van voedsel is belangrijk geworden, iets wat knapperig is, is lekkerder. Van witte wijn is de prikkeling lekker, rode wijn doet me niets. Koffie ook niet, maar het schuim van cappuccino is prettig. En eten moet er mooi uitzien, dat is heel belangrijk.

In het begin douchte ze drie keer per dag. Ik dacht: ‘Als ze me maar niet ruiken’. Ik bleef mijn kleding maar wassen. Parfum deed ik niet meer op. Inmiddels weer wel, maar ik zal geen nieuw luchtje meer kopen. Ik gebruik de twee geuren die ik had.

En nog zoiets: Anke Meijer heeft overal in huis gas- en brandmelders hangen. Ik ging elke nacht wel drie keer naar beneden om te kijken of het gas uit was. Een keer heb ik een gerecht in de oven aan laten branden, ik rook er niks van, mijn zoon waarschuwde me.

Mijn leven is er niet door verpest, maar veel dingen zijn minder leuk, vat ze samen. Ik ben een wandelaar, ging graag de natuur in om die heerlijke bloemenlucht opsnuiven. Dat mis ik ongelooflijk. Maar ik heb een wandelvriendin die de geuren voor me beschrijft. Haar huidige partner ontmoette ze na haar ongeluk. Dat was heel vreemd, want ik weet niet hoe hij ruikt. Geur is een belangrijk deel van de aantrekkingskracht. Daardoor heb ik er ook meer tijd voor nodig gehad om mijn gevoelens voor hem te ontwikkelen.


Vereniging

De Anosmievereniging probeert aandacht te krijgen voor mensen die hun reukvermogen kwijt zijn. Meer wetenschappelijk onderzoek is nodig en te makkelijk wordt er vaak gezegd dat er niks aan te doen is. Artsen zouden meer aandacht moeten hebben voor de sociaal en psychologische gevolgen, zegt Anke Meijer. De vereniging is daarnaast een platform waar lotgenoten elkaar treffen. Verlies van je reuk kan invloed hebben op je relatie. Bijvoorbeeld als de een geen lol meer heeft in eten. En natuurlijk verandert er ook op seksueel gebied veel wanneer je niet meer ruikt.


Reukstoornissen zijn er in vele vormen. Reuk kan volledig of verminderd afwezig zijn. Iedereen kent het als je eens een keertje flink verkouden bent. Maar het kan ook aangeboren zijn. En door ouderdom neemt reukvermogen af. Er kan ook iets in de weg zitten waardoor geurstoffen het reukorgaan, het reukepitheel, niet bereiken. Bijvoorbeeld poliepen, een tumor of een afwijking van het neusschot. Van neurologische reukstoornissen is sprake als het reukorgaan is beschadigd, of wanneer de baan van dit orgaan naar het centraal zenuwstelsel in de hersenen aangetast is. Dat kan door een infectie in de bovenste luchtweg, of door ziektes als Parkinson en Alzheimer, een hersenbloeding of tumor. Maar ook een trauma, bijvoorbeeld een val of een klap op het (achter)hoofd, kan de reukzin aantasten. Reukzenuwen kunnen dan uitgerekt of afgescheurd zijn. Er zijn ook reukstoornissen die de aard van wat je ruikt veranderen. Het kan zijn dat je je geuren inbeeldt die er niet zijn, dat je geuren als vies ervaart die dat niet zijn of niet in staat bent om geuren te benoemen.



Naar boven ↑

De reukzin

Op je spreekuur krijg je soms te maken met afwijkingen aan zintuigen. Achtergrondkennis is dan handig, zodat je weet wanneer de patiënt verwezen moet worden naar de huisarts. Dit vijfde artikel in deze serie gaat over de reukzin.


Reukverlies

De 72-jarige mevrouw Van Dalen komt voor controle van haar diabetes type 2 bij de praktijkondersteuner. Het gevoel in haar voeten is verminderd. Na onderzoek, uitleg en advies over diabetische perifere neuropathie vraagt zij of suikerziekte ook verlies van reuk en smaak kan veroorzaken. Haar reuk is al geruime tijd minder goed en sinds kort ruikt ze vrijwel niets meer. Ook haar smaak is minder en anders, heel vervelend eigenlijk.


 

Achtergronden

Reukzin en smaakzin werken nauw samen om geuren waar te kunnen nemen en voedsel te kunnen proeven en herkennen. Als de reuk is uitgevallen, nemen mensen meestal alleen nog de vijf basissmaken waar: zoet, zuur, bitter, zout en hartig. Zij kunnen dan niet meer de fijnere smaaknuances proeven.

Geuren kunnen op veel terreinen belangrijke informatie verschaffen. De reuk kan levensreddend zijn bijvoorbeeld bij het waarnemen van gas- of brandlucht, bedorven voedsel en rotting. Verder spelen lichaamsgeuren een belangrijke rol bij sociale contacten in het algemeen en ook bij seksuele relaties door middel van feromonen (geurstoffen die mensen uitscheiden die effect hebben op het gedrag van andere mensen). Feromonen beïnvloeden onder andere de seksuele lust en activiteiten. Maar ook is reuk van groot belang om te kunnen genieten, zoals bij culinaire spijzen, wijnen en parfums.

De reukzintuigen zijn het reukepitheel en de reukzenuwbundeltjes (fila olfactoria). Deze bevinden zich hoog in de neus, zowel op het neustussenschot als op het slijmvlies van de neusvleugels. Geurstoffen komen meestal de neus binnen met de ingeademde lucht. Door te snuffelen of te snuiven bereikt de met reukstof beladen lucht beter de reukzintuigen. Geurstoffen kunnen ook vanuit de neus-/keelholte (nasofarynx) het reukgebied bereiken, dat gebeurt met name tijdens het eten.

Een chemische reactie in de cellen van het reukepitheel zet de reukprikkels om in signalen voor de reukzenuwen. Er zijn honderden verschillende receptoren die met meerdere, specifieke stoffen kunnen reageren. Het zeefbeen (etmoïd) ligt boven het neustussenschot en bevat vele gaatjes (lamina cribrosa) waar de reukvezels doorheen lopen naar de bulbus olfactorius (zie figuur) van de reukhersenen (rhinen-cephalon).

Vervolgens gaan deze signalen verder het centrale zenuwstelsel in naar de reukhersenschors (olfactorische cortex). De reuk heeft in de hersenen ook veel verbindingen met de gyrus hippocampi, waar het limbische systeem zetelt dat gevoelens, emoties en stemmingen reguleert.

Geuren kunnen verbonden zijn aan min of meer bewuste herinneringen uit het verleden. In 1994 verscheen hierover een baanbrekend boek van Vroon et al. Bij reukzin bestaan sekseverschillen; vrouwen ruiken meer en beter dan mannen, hebben een andere lichaamsgeur en houden van andere geuren dan mannen.

Vormen van reukafwijkingen (dysosmie)

Anosmie: volledig ontbreken van de reuk. Deze vorm komt het meest voor.
Hyposmie: gedeeltelijk reukverlies.
Parosmie: vervorming/onjuiste of onplezierige reukwaarneming. Daaronder valt kakosmie waarbij alles slecht en afstotend ruikt (als uitwerpselen).
Fantosmie: het ruiken van niet aanwezige geuren.
Hyperosmie: overgevoeligheid voor enkele of alle geuren.

Oorzaken van vermindering of uitval van de reuk

Naar schatting hebben zo’n 300.000 mensen in Nederland last van verminderde of afwezige reuk. Dat kan een mechanische oorzaak hebben (geleidingsanosmie): door obstructie van de luchtweg kunnen de geurstoffen het reukepitheel gedeeltelijk of helemaal niet bereiken. Een verstopte neus kan komen door virale infecties (verkoudheid), andere infecties zoals een chronische sinusitis, allergieën, poliepen, de stand van het neustussenschot, enzovoort. Ook kunnen er problemen zijn op sensorisch/neurologisch gebied (perceptieanosmie). Dit zijn aandoeningen waarbij het reukepitheel zelf, de reukbanen en/of de hersenen zijn beschadigd. Oorzaken kunnen zijn: (schedel)traumata, tumoren, infecties, systeemziekten zoals hypothyreoïdie, de ziekte van Cushing, diabetes, congenitale afwijkingen (syndroom van Kallman), psychiatrische stoornissen (depressie), de ziekte van Parkinson, de ziekte van Alzheimer, toxische stoffen (chloor, zware metalen) waaronder meerdere geneesmiddelen (diverse soorten antibiotica, anti-epileptica, anti-hypertensiva, et cetera), amfetaminen, sigarettenrook en ouder worden. Bij het ouder worden neemt vanaf het 60e levensjaar de omvang van het reukepitheel af; boven de 80 zijn veel ouderen hun reuk vrijwel kwijt.


Reukverlies (vervolg)

De praktijkondersteuner vertelt mevrouw Van Dalen dat het veel voorkomt dat suikerziekte de uiteinden van de lichaamszenuwen aantast (voeten, handen), maar minder vaak de zenuwen van het hoofd, de zogeheten hersenzenuwen (nervi craniales). Verder vertelt zij dat met het ouder worden reuk en smaak geleidelijk afnemen. Bij mevrouw Van Dalen gebeurde de reuk- en smaakafname echter plotseling. De praktijkondersteuner verwijst haar dan ook door naar de huisarts om de oorzaak van het reukverlies op te sporen.


 

Impact op de kwaliteit van leven

De gevolgen van reukverlies zijn groter dan je op het eerste gezicht zou denken. Allereerst heeft het een negatieve invloed op het eet- en drinkpatroon. Daarnaast kan het lastig of zelfs gevaarlijk zijn doordat de waarschuwingsfunctie van geuren vervalt, zoals rook. Maar minstens zo belangrijk voor de kwaliteit van leven zijn de consequenties op andere dimensies van het leven. Minder kunnen genieten kan psychische gevolgen hebben en zelfs leiden tot depressie en stemmingswisselingen. Het niet kunnen ruiken van de eigen lichaamsgeur kan onzeker maken, wat op sociaal gebied weer gevolgen heeft, bijvoorbeeld bij seksualiteit. Reukvermindering of –verlies kan daarnaast maatschappelijk problemen geven bij bepaalde beroepen (kok, wijnproever, parfumeur).

Behandeling

Bij de geleidingsanosmie zal na de behandeling van de allergie, de poliepen of de infectie de obstructie zijn opgeheven en komt de reuk meestal geheel of gedeeltelijk terug. Bij de perceptieanosmie is meestal geen behandeling mogelijk. Zenuwweefsel herstelt na beschadiging traag of helemaal niet.


Reukverlies (vervolg)

Mevrouw van Dalen blijkt al langer last te hebben van een verstopte neus. De huisarts constateert beiderzijds vrij forse neuspoliepen (polyposis nasi) en behandelt deze eerst enige tijd lokaal met een corticosteroïd-neusspray. Dit helpt onvoldoende. Mevrouw Van Dalen is vervolgens doorverwezen naar een kno-arts. Deze voerde beiderzijds een poliepextractie uit, waarna de neusverstopping over was. De poliepen keerden niet terug – wat vaak wel gebeurt – maar het reukverlies herstelde zich niet meer.


 

Tips voor patiënten

• Boon, Joke. Het mysterie van de reuk. Utrecht: Inmerc, 2009. ISBN 9789066116580.
• Patiëntenvereniging: Anosmievereniging: www.ruikenenproeven.nl
• Huizing EH, Snow GB. Leerboek keel- neus- oorheelkunde en hoofd – halschirurgie. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 2007.
• Loijmans R, Reukverlies. Huisarts en wetenschap 2012;55:231.
• Vroon Piet, Van Amerongen Anton, De Vries Hans. Verborgen verleider. Psychologie van de reuk. Amsterdam: Ambo, 1994.


Dit artikel: Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2012, nummer 5:138-139, door: Aukje van Beek


Naar boven ↑

Slimme smaakmakers

Bij het lezen van toprecepten loopt het water je al in de mond. Maar wat maakt gerechten nu zo lekker? En hoe geef je ze zelf een extra tintje?

Eventjes proeven. Het klinkt simpel, maar niet alleen zijn er allerlei smaakpapillen actief op je tong, je proeft ook nog eens met je gehemelte. Een kritisch systeem.

Het zal je dan ook niet verbazen dat echt heerlijke gerechten uit ingrediënten van de hoogste kwaliteit bestaan. Ook al kun je goddelijk koken, met een kalkoen uit het vriesvak krijg je nooit een topgerecht, weet Julius Jaspers, een van de twee gezichten van het programma Topchef. ‘Kijk eens bij een visboer in IJmuiden of een Achterhoekse slager die zelf slacht. Maar ook in de buurt zijn ongetwijfeld vakmensen te vinden’.

Condimenten hebben een sterke smaak

Met kruiden en specerijen kun je de smaak daarna verfijnen. Maar waarom niet net wat verder kijken? Voeg bijvoorbeeld een ‘condiment’ toe. Bekende voorbeelden zijn mosterd en piccalilly, maar je kunt ook een crème maken van ansjovis. Condimenten hebben een sterke smaak en je gebruikt er dus maar een beetje van.

Een andere manier van verfijning is om groenten meer aandacht te geven. Vaak gaan ze klakkeloos in een pan met twee liter water, waarin ze langzaamaan kapot koken. Jaspers: ‘Het boontje, stukje kool of wortel geeft al zijn smaak af aan het water en dat gooi je uiteindelijk weg. Dat voorkom je door het bijvoorbeeld in een half deel boter en water te stoven. Laat je dat langzaam inkoken, dan eet je uiteindelijk alle smaak op’.

Met de Kerst in aantocht komt bij veel mensen de gedachte aan wild op. Altijd een uitdagend klusje, door de kans op uitdroging. ‘Met een stoofschotel voorkom je dat’, zegt Jaspers. Maar zorg, los van wat je maakt, ook voor een goede planning: ‘smart cooking’. Bereid het gerecht de dag ervoor al tot het bijna gaar is en maak het op de dag zelf in vijf minuten af. Dan hoef je je geen zorgen te maken dat er iets verkeerd gaat en je staat minder lang in de keuken. Rustig een glaasje met je gasten kunnen drinken is wel zo gezellig.


Anosmie

Ben je je smaak kwijt als je je reukvermogen verliest? Voor een gedeelte wel, maar de primaire smaken – zoet, zout, zuur, umami en bitter – worden waargenomen door je tong. Alle andere smaken gaan door de neus. Iemand met anosmie zal dus moeten leren alle smaken samen te stellen vanuit de primaire smaken. Een anosmoos proeft dus wel maar op een andere manier. www.ruikenenproeven.nl


Dit artikel  verscheen in de Veronicagids.Tekst: Niels Achtereekte


Naar boven ↑

Mijn konijn is mijn brandmelder

‘Hoe is het om te leven zonder reuk en smaak?’ Zacht gezegd erg behelpen, zo ervoer de 31-jarige Tasmara van Loon uit Den Bosch. Zeven jaar geleden sneuvelde haar reukzenuw door een heel stom fietsongeluk.

Vroeger was lasagne haar lievelingseten. Nu heb ik geen idee hoe lasagne smaakt. Apart hoe snel dat gaat. Vroeger, dat was vóór het fietsongeluk van Tasmara van Loon in 2006. Twee fietsers tegen elkaar en ik werd als het ware van mijn fiets gekatapulteerd. Met mijn hoofd knalde ik hard op het asfalt. Ik had een schedelbasisfractuur en een zware hersenschudding.

Pas na weken drong het besef door dat ze bijna niks meer proefde. Bij een controle vroeg de arts: ‘Ruik je wel wat dan?’ Goeie vraag. Daar had ik nog niet bij stilgestaan. Een aantal reuktesten verder bleek ik niets meer te kunnen ruiken. Ze hielden allerlei sticks onder mijn neus, van knoflook tot ammoniak. Maar geen enkele reactie.

Op een MRI-scan was te zien dat de reukzenuw dood was, kapot. In de neus zitten allerlei zenuwuiteinden, die via één grote zenuw verbonden zijn met de hersenen. Die grote zenuw is bij mij afgescheurd. De schade is onherstelbaar. De kans dat een zenuw weer aangroeit is één op een miljoen.

Ik ruik helemaal niks en proef alleen de basissmaken, die je met de tong kunt waarnemen, dus zoet, zuur, zout en bitter. Alles wat het eten voller en lekker maakt, kruiden en nuances, komt via je neus bij je binnen. Eten gaat voor mij nu vooral om de structuur. Een combinatie van onder meer zacht en hard. Ik roerbak groentes zodat ze knapperig blijven. Ik maak er iets van vlees of vis bij, dat juist sappig is of heel romig. Ik doe er wel kruiden bij, voor mijn vriend. Dat doe ik op geheugen of ik volg een recept precies. Nee, ik heb nog nooit klachten gehad.

De geur van mijn huis

Het duurde drie jaar voor ze weer plezier kreeg in koken. Toen ging het me weer interesseren. Ik heb me verdiept in kookboeken van onder anderen Jamie Oliver. De aparte dingen die hij doet met structuur en uiterlijk spreken mij aan. Ik ben nog steeds fan van de Italiaanse keuken. Er zitten veel verschillende structuren in en dat vind ik heerlijk. Een favoriete maaltijd is vis uit de oven met een krokant korstje, gewoon te gek. Met groentes uit de wok. Perfect.

Met koffie, thee of een wijntje maak je Tasmara niet blij. Sommige theesmaken zijn wel okè, omdat die zoet zijn. Maar het is gewoon warm water. Dus dat boeit niet. Vroeger dronk ik rode wijn. Nu vind ik die alleen maar zuur en bitter. Er zit helemaal geen smaak aan. Als ik iets drink is het sterk, whisky of zo. Daar heb je meer aan. Niks kunnen ruiken reikt veel verder dan eten en drinken. De geur van mijn huis, mijn vriend, ik vond het allemaal heerlijk.

De neus was voor mij heel belangrijk. Ineens is dat weg. Dat is een enorme klap. Ik controleer alles keer op keer. Wanneer ik twijfel of ik deo heb opgedaan, doe ik het nog een keer. Als ik nieuwe mensen leer kennen, zeg ik: ‘Ik kan niet ruiken, ik weet niet of mijn deo nog werkt. Ruiken jullie wat, zeg het me dan alsjeblieft’.

Ik kijk wel drie of vier keer of het gas wel uit is. Bij het schoonmaken kan ik niet inschatten hoeveel chloorlucht er hangt, dus zet ik een timer aan. Ik kan niet ruiken of er iets smeult, brandt of aanbrandt. Dus heb ik in huis een brandmelder hangen en een koolmonoxidemelder. Mijn twee konijnen zijn ook een soort brandmelder. Als er iets aan de hand is, gaan ze stampen.

Voordeel? Denk maar eens aan een concert. Al die zwetende mensen bij elkaar. Of festivals met Dixi’s. Zolang ik er niet in kijk, vind ik het best. Als het ergens stinkt, heb ik een groot voordeel.

Je blijft altijd hopen

Nu kan ze makkelijk praten over haar gemis. Je moet ermee leren omgaan. Het heeft heel lang geduurd voor dat ik daar mijn weg in heb weten te vinden. Het is de kunst om niet bij de pakken neer te zitten. Sommige zakken diep weg in een depressie. Ik had zoiets van: ‘Ja maar ik lééf nog!’

Ik ga ervoor. Buitenstaanders denken vaak: ‘Het is maar je reuk, totdat ze zelf een keer snotverkouden zijn en niks meer proeven’. Dan zuchten ze: ‘Was het maar voorbij’. Voor mij gaat het nooit meer voorbij, al blijf je altijd hopen.

De eerste paar jaar had ik veel moeite om het te accepteren. Ik heb veel steun gehad aan contact met lotgenoten op het internet forum van de Anosmievereniging, en aan de verenigingsdagen. Sinds ik me richt op wat ik zie en wat ik voel, heb ik gewoon een rijk leven.

In dat leven is Tasmara werkzaam als online marketeer voor een kunstverhuurbedrijf in Raamsdonksveer. Zingen is haar grote passie. In de nieuwe formatie Skyrah zingt ze nummers in de sfeer van Within Temptation. We schrijven nummers en dan gaan we ertegenaan. Optreden, liefst zo groot mogelijk. Ik hoop dat we behoorlijk wat mooie podia aan mogen doen. Ooit Paradiso halen zou fantastisch zijn. Dat is mijn droom.


Dit artikel verscheen in het Brabants Dagblad op 16-04-2013 tekst: Maarten van de Rakt, foto: Mart Bolsius
Naar boven ↑

Ik vraag me constant af: ruik ik fris?

De neus van de familie, dat was Harriët (37) altijd. Tot ze twee jaar geleden als gevolg van een virus haar reuk én smaak verloor.

Harriët: In de metro werd ik laatst door iedereen aangekeken toen ik op de enige stoel ging zitten die nog vrij was. ‘Heb ik soms iets vreemds aan?’ vroeg ik me af. Pas toen ik het smoezelige gezicht en de vieze handen van de man naast mij zag, begreep ik het: hij stonk vast een uur in de wind. Ik merkte daar zelf niets van omdat ik niet kan ruiken. Heel handig in zo’n situatie, maar vaak is het juist erg vervelend. Ik weet bijvoorbeeld niet of ik zelf nog wel fris ruik en ook alle fijne geuren gaan letterlijk aan mijn neus voorbij. Zo bakte ik gisteren brood en riep mijn man Marcel vanuit de woonkamer: ‘Lekker, ik ruik ’t hier helemaal!’ Maar zelfs toen ik mijn neus zo’n beetje ín de oven stak, rook ik niets.

Vreemde klachten

Vroeger was ik de neus van de familie. Ik rook alles: ‘Welke kaas ligt er in de koelkast, is het eten wel gekruid?’ Maar sinds twee jaar is dat compleet anders. Ik herinner me precies de dag dat ik koffiezette en de geur van de gemalen bonen niet rook. ‘Vreemd’, dacht ik, maar het zal wel. Maar toen even later de sterke geur van een lavendelzeepje ook niet bij me binnenkwam, ging er een alarmbelletje rinkelen: hier klopt iets niet. Voor de zekerheid onderwierp ik mijn neus aan een aantal tests: een vaas met lelies op tafel en alle parfumflesjes in mijn nachtkastje. Maar ik rook écht niets.

Al snel merkte ik dat ik ook weinig meer proefde. Aardappels smaakten ineens heel zanderig en het verschil tussen een boterham met worst of kaas kon ik niet proeven. Ik begreep er niets van. De flinke verkoudheid van een paar weken eerder was immers allang verdwenen. Ik ging zoeken op internet en las dat er een aandoening bestaat die maakt dat je niets kunt ruiken, anosmie. Hoewel mijn klachten overeenkwamen met wat ik las, dacht ik: ‘Dat zal ik toch niet plotseling hebben?’ Mijn huisarts wist niet wat hij met mijn klachten aan moest en raadde me aan het een tijdje aan te kijken.

Met dat advies ging ik met mijn man en dochter Marit op zomervakantie naar Turkije. Normaal kom ik daar heerlijk tot rust, maar dat zat er deze keer niet in. Bij het zwembad merkte ik meteen dat ik geen zonnebrandolie of chloor rook en het buffet zag er heerlijk uit, maar de Turkse hapjes smaakten nergens naar. Mijn gevoel van hoe het zou moeten zijn, klopte niet bij wat ik ervoer en dat was heel vreemd. Ik werd er wanhopig van en maakte me zorgen: ‘Was dit blijvend?’

Na de vakantie kwam ik bij een kno-arts terecht. Hij besloot een CT-scan te maken van mijn hoofd. Niet lang daarna werd duidelijk wat er aan de hand was: mijn geurzenuw was aangetast, waarschijnlijk door een virus dat ik had opgelopen tijdens mijn verkoudheid. ‘Oké, wat nu?’ vroeg ik optimistisch. Nu ik wist wat ik had, konden we verder met de oplossing. Maar de arts had geen goed nieuws: er bestond geen medicatie voor mijn aandoening, waarschijnlijk zou ik nooit meer kunnen ruiken. Dat vond ik verschrikkelijk om te horen.

Luisterend oor

De eerste paar weken was het heel moeilijk om te accepteren dat ik twee zintuigen kwijt was geraakt: reuk én smaak. ‘Waarom moest mij dit overkomen?’ Ik was verdrietig en opstandig. Zo was ik altijd gek op parfums, maar omdat ik toch niets meer rook, scheurde ik uit boosheid de klantenkaart van de parfumerie direct door midden. Bijna mijn hele verzameling geurtjes gaf ik aan mijn schoonmoeder en als ik met Marcel boodschappen deed, zei ik nukkig: ‘Het maakt me niet uit wat we eten, ik proef toch niks meer’. Ik leek wel een jengelende kleuter. Marcel begreep mijn gedrag en zei gelukkig niet: ‘Het komt wel goed, schat’. Want we wisten allebei dat dat niet waar was. Hij baalde met me mee en bood een luisterend oor voor mijn gemopper.

Ondertussen troffen we veiligheidsmaatregelen in huis: we lieten brandmelders installeren en namen een gasfornuis dat uitgaat als het vlammetje niet meer brandt. Ik merk het namelijk niet als er een brand- of gaslucht in huis hangt. Dat maakt me best angstig. Vooral het eerste jaar checkte ik overdreven vaak of het gas wel uit was en of de kaarsen waren gedoofd.

Tegelijkertijd liep mijn zelfvertrouwen een flinke deuk op; ik werd onzeker over mijn lichaam. Nog steeds vraag ik me constant af: ‘Ruik ik nog wel fris?’ Bij twijfel gebruik ik extra deodorant. Ik douche ’s ochtends én ’s avonds en heb standaard een mondspray op zak die ik wel twintig keer per dag gebruik. Waarschijnlijk overdreven, maar niemand vertelt het mij als ik uit mijn mond stink en zelf merk ik het niet.

In mijn omgeving heb ik iedereen vrij snel over mijn aandoening verteld. Mijn vriendinnen en collega’s reageerden heel begripvol en waren ook geïnteresseerd: ‘Hoe zit dat, wat proef je dan wel?’ Dat was heel fijn, maar vragen of ze me willen waarschuwen als ik onfris ruik, gaat me te ver. Je lichaamsgeur is iets heel persoonlijks en het is een taboe om iemand daarop aan te spreken. Vroeger dacht ik vaak: deze trui kan ik nog wel een dagje aan. Nu gooi ik al mijn kleding voor de zekerheid elke twee dagen in de was. Nieuwe luchtjes heb ik sindsdien niet meer gekocht. Ik durf niet af te gaan op het advies van een verkoopster, want ook parfum is iets persoonlijks. Daarom gebruik ik alleen het geurtje dat ik voorheen lekker vond.

De geur van citroentjes

In sommige situaties is het juist handig dat ik niets ruik. Bij het verwisselen van de vuilniszak hoef ik mijn neus niet dicht te knijpen en ik kan op m’n dooie gemakje langs openbare toiletten lopen. Marit liet laatst een scheetje en riep: ‘Dat ruik je toch niet!’ Daar moest ik wel om lachen. Twee jaar geleden vertelde ik haar dat ik flink verkouden was en dat ziektemakers ervoor hadden gezorgd dat ik niet meer kan ruiken. Inmiddels is ze zes jaar en weet ze niet beter.

Ze is een ster in het beschrijven van geuren, terwijl dat best moeilijk is. De nieuwe luchtverfrisser in de auto ruikt volgens haar naar Fruitella met appel- en peersmaak en toen ik een handcrème uitprobeerde, riep ze meteen: ‘Die ruikt naar citroentjes!’ Voor mij is dat handig, maar ze kan nog niet beoordelen of ze zelf een schoon shirt nodig heeft of dat ze haar haren moet wassen. Vaak vraag ik me dus af: ‘Verschijnt ze wel fris op school?’ Gelukkig kan Marcel dat ook goed beoordelen, maar voor de zekerheid spray ik elke dag wat Dove in haar krullen.

Gek genoeg is er een aantal geuren dat ik wél waarneem, maar dan vervormd. Olie- en frituurlucht bijvoorbeeld. Dat komt bij mij binnen als een vieze stookolielucht waarvan ik misselijk word. Heel vreemd en ik weet niet hoe dat komt, maar vervelend is het wel. Een tijdje geleden waren we een paar dagen naar een attractiepark in België en daar stond op bijna elke hoek een patatkraam. Daar liep ik dus met een grote boog omheen. En als we een etentje hebben bij vrienden, hoop ik maar dat we geen bitterballen voorgeschoteld krijgen.

Weer plezier in eten

Veel mensen staan er niet bij stil dat je reuk samengaat met je smaak. Ze kijken er dus van op als ik vertel dat ik ook niets meer kan proeven. Ik proef alleen de basissmaken zoet, zout, zuur en bitter. De aroma’s die een gerecht juist smaak geven, zoals kruiden, gaan mijn smaakpapillen voorbij. In het begin vond ik dat heel lastig als ik stond te koken: ‘Zit er te veel peper in de stoofschotel of is hij juist te flauw?’ Vaak maakte ik een gerecht veel te zout, wat natuurlijk niet goed is, maar dan proefde ik tenminste íets.

Inmiddels weet ik het goed te doseren, maar ik ben soms nog wel bang dat ik mijn gezin bedorven voedsel voorschotel. Laatst had ik een tompouce gegeten. Toen Marcel er één wilde eten, zei hij: ‘Die zijn niet goed meer, ze zijn hartstikke zuur’. Ik neem nu geen enkel risico meer met levensmiddelen die de houdbaarheidsdatum naderen. Ik proef niet of de melk zuur is en heb geen idee of een krop sla bedorven ruikt, dus bij twijfel denk ik: hup, weg ermee. Eten is voor mij een heel andere ervaring geworden en het heeft best een tijdje geduurd voordat ik een manier vond om er toch weer van te genieten.

In het begin bleef ik stiekem hopen dat mijn reukvermogen grotendeels zou terugkomen, maar ondertussen moest ik ook manieren vinden om met deze handicap om te gaan. Omdat bijna alles flauw smaakt – spaghetti is bijvoorbeeld niet meer dan een saaie hap deeg – ben ik op zoek gegaan naar producten met meer structuur. Een knapperige paprika of rauwkost geven mij het gevoel dat ik echt iets eet.

Toen ik me aanmeldde bij de Anosmievereniging kwam ik in contact met lotgenoten die mijn situatie natuurlijk goed begrepen. Die erkenning was fijn, ik realiseerde me dat ik niet de enige ben met dit probleem. Ze gaven me goede tips: ‘Wissel iets knapperigs af met een romig sausje en zorg voor kleurrijke producten’. Want als je bord er aantrekkelijk uitziet, heb je meer zin om te eten. Het zijn de kleine dingen die het eten voor mij nu plezierig maken.

Marcel is een goede steun door extra aandacht te besteden aan het dekken van de tafel en hij houdt er rekening mee dat de vraag: ‘Smaakt het?’ voor mij niet fijn is om te horen. Daarom zegt hij vaak: ‘Het ziet er lekker uit, hè?’ Inmiddels ben ik er aardig aan gewend dat ik niets kan proeven, maar ik vergeet het ook nog weleens. Zo verheugde ik me vorig jaar op oudejaarsavond enorm op een oliebol, maar toen ik de eerste hap nam, realiseerde ik me weer: ‘Oh nee, ik proef niks’.

Vooral de feestdagen zijn moeilijke momenten. Mijn moeder had met Kerst een tafel vol lekkers gemaakt, maar ik kreeg er niets van mee. Ook vind ik het jammer dat ik geen nieuwe dingen kan proeven. Kreeft heb ik bijvoorbeeld nog nooit gegeten en soms vraag ik me af: ‘Hoe zou dat smaken?’

Vleugje geitenkaas

Ik ben nu bijna twee jaar verder en heb inmiddels geaccepteerd dat ik anosmie heb. Het heeft even geduurd om het een plek te geven en ik heb er echt wel wat tranen om gelaten, maar nu denk ik: ‘Het is nu eenmaal zo en ik kan er niets meer aan veranderen’.

Sommige mensen met anosmie vragen zich bijna dagelijks af of hun reukvermogen en smaak ooit weer terugkomen. In het begin was ik daar ook veel mee bezig, maar nu denk ik: ‘Ik zie het wel’. Ik heb ermee leren leven en als ik in de toekomst weer kan ruiken, zou dat fantastisch zijn, maar ik bijt me niet vast in die gedachte.

Een tijdje geleden zat ik bij mijn ouders op het terras om de verjaardag van mijn vader te vieren, toen ik plotseling een vleugje van de geitenkaas rook op mijn stokbroodje. Een mooi moment, maar dat zie ik als een bonus. Ik weet namelijk dat de kans heel klein is dat ik ooit weer alles kan ruiken. Terwijl ik lekker in het zonnetje zat met de mensen van wie ik hou, realiseerde ik me: ‘Het is goed zo’. Ik heb anosmie en dat is vervelend, maar ik ben verder helemaal gezond. Ondanks mijn aandoening voel ik me nog steeds dezelfde vrouw en ben ik een gelukkig mens.

Dit artikel verscheen in de Flair


Naar boven ↑