Kato Sluis is foodvlogger (Foodfaves), social media specialist en lid van onze vereniging. Ze heeft congenitale anosmie (aangeboren anosmie) en deelt haar ervaringen en inzichten als anosmist. Voor Reuksmaakstoornis.nl schrijft ze columns – en dit is haar allereerste. Veel leesplezier!
“Ik ben Kato en ik kan al mijn hele leven niet ruiken”
Vroeger durfde ik die zin bijna niet uit te spreken. Want wie kan er nou niet ruiken? Tegenwoordig begin ik er al mijn socialmediaposts mee. Daarmee bereik ik maandelijks gemiddeld 800.000 mensen. Ik leer hen van alles over aangeboren anosmie en deel mijn ervaringen, met als doel om meer mensen te informeren over deze handicap.
Congenitale anosmie: zo begon het
Mijn naam is Kato Sluis. Ik ben 23, kom uit een klein dorp in Limburg en heb congenitale anosmie. Dat betekent dat ik vanaf mijn geboorte niet kan ruiken. De oorzaak is tot op de dag van vandaag onbekend. Als klein kind (ik denk een jaar of negen of tien) riep ik al dat ik niet kon ruiken. Ik begreep nooit waarom klasgenoten zeiden dat het lokaal stonk, of waarom iedereen zo overdreef als iemand een scheetje liet.
De Kruidvatfase
Toch werd ik me pas echt bewust van mijn handicap toen ik twaalf was. Na school ging ik vaak met vriendinnen langs de Kruidvat om doucheproducten te ruiken. We lieten elkaar de leukste flesjes zien, namen een snuf en bespraken welke we wilden hebben. We hadden natuurlijk geen geld om iets te kopen, maar het idee alleen al voelde spannend.
Voor mij waren die uitjes een stuk gecompliceerder en verwarrender dan voor mijn vriendinnen, want ik merkte geen enkel verschil tussen alle shampoos. Toch deed ik alsof ik hetzelfde ervaarde. Ik schaamde me dat ik het verschil niet begreep en had geen idee wat mijn vriendinnen precies ‘roken’. En wat dat hele ‘ruiken’ dan überhaupt inhield.
Gelukkig is geur lastig in woorden te vangen, dus met een simpele “oh, die ruikt fris” kwam ik er meestal onopgemerkt doorheen. Vanaf die Kruidvatfase wist ik het zeker: er klopt iets niet. Na een korte Google-zoektocht kwam ik voor het eerst in aanraking met Reuksmaakstoornis.nl en leerde ik de term anosmie kennen.
Twijfelen aan jezelf
Ondanks dat ik als kind al doorhad dat ik een zintuig miste, duurde het lang voordat dit thuis serieus werd genomen. Dit was nog vóór de coronapandemie, dus niet kunnen ruiken was iets waar mijn ouders nog nooit van hadden gehoord. Terwijl mijn ouders genoten van hoe ‘heerlijk’ het eten rook, keek ik hen vragend aan. “Je moet het wel echt proberen,” kreeg ik dan te horen. Als kind is je wereld niet veel groter dan je ouders, dus al snel ging ik geloven dat er eigenlijk niets mis met me was. Ik deed gewoon niet genoeg mijn best.
Jarenlang dacht ik dat ik wel zou kunnen ruiken als ik maar de juiste techniek gebruikte. Dat ik te hard of juist te zacht inhaleerde. En dat ik, als ik die balans eenmaal vond, spontaan zou gaan kunnen ruiken. Daardoor voelde mijn gebrek aan reukzin als onkunde: iets waar ik me als kind lang onzeker en onbegrepen over heb gevoeld.
Achteraf is het logisch dat mijn ouders mij niet meteen serieus namen. Anosmie was een onbekende handicap en ik kon als kind nogal fantasierijk zijn. Toch vraag ik me vaak af hoe mijn jeugd eruit had gezien als ik op dit soort momenten wél serieus was genomen.
De thinner-test
Toen ik zestien was, besloten mijn ouders ons huis te verbouwen. Er kwam een aanbouw en het zachte tapijt maakte plaats voor een gietvloer. Bij de verbouwing werden veel geurige goedjes gebruikt, zoals verf, aceton en thinner. Op een ochtend, nog voordat ik naar school moest fietsen, bedacht mijn vader een test. “Als ze écht niet kan ruiken, dan ruikt ze ook geen thinner.” Nog voor het ontbijt kreeg ik de fles voor mijn neus en nam ik vol enthousiasme een flinke snuf. “Dat ruikt een beetje fris,” zei ik trots, in de hoop dat ik het echt had geroken.
Ik zat er natuurlijk helemaal naast, want thinner ruikt – zo heb ik me laten vertellen – juist ontzettend smerig. Mijn vader realiseerde zich na mijn opmerking eindelijk dat het misschien toch niet mijn rijke fantasie was, maar een echte fysieke handicap. Diezelfde dag maakten we een afspraak bij de huisarts, waar later congenitale anosmie werd vastgesteld.
Vanaf dat moment viel er voor mijn ouders veel op z’n plek en nam ook ikzelf mijn anosmie serieus. Voor het eerst voelde mijn handicap niet als mijn gebrek, maar simpelweg als iets wat ik fysiologisch gezien niet kan. Weten dat het niet mijn verantwoordelijkheid is dat ik niet kan ruiken heeft enorm geholpen bij mijn zelfbeeld. Inmiddels vind ik anosmie hebben juist iets wat mij uniek maakt en me ook een leuker mens maakt.
Sindsdien heb ik ontzettend veel meegemaakt als anosmist. Van gaslekken tot een studie waarin eten centraal stond: ik heb zo’n beetje alle ongemakken van anosmie mogen ervaren. Toch ben ik dankbaar voor de blik die het mij op het leven geeft.
“Wat chill!”
Leven met een handicap die mensen vaak bagatelliseren, kan soms lastig en eenzaam zijn. Onder mijn video’s lees ik regelmatig reacties als: “Dus jij ruikt ook geen vieze geuren of stank? Wat chill!” Of – zelfs na corona – is de eerste vraag nog vaak: “Maar kun je dan ook geen appeltaart ruiken?” Het blijft opvallend hoe snel mijn andere manier van de wereld ervaren verandert in een grapje of een ‘voordeel’.
En toch zit er juist in die gesprekken waarde. Ze laten zien hoeveel onbekendheid er nog is. Met deze column wil ik duidelijk maken dat anosmie een serieuze handicap, met veel invloed heeft op iemands leven – al zitten er soms ook mooie kanten aan. Bovenal hoop ik bij te dragen aan meer bewustzijn. Want je kunt iets moeilijk herkennen en serieus nemen als je niet weet dat het bestaat.
Ik hoop dat deze column helpt bouwen aan een maatschappij waarin mensen met anosmie wél serieus worden genomen, zodat de volgende generatie zich vanaf het begin begrepen en gezien voelt.