Kato Sluis is foodvlogger (Foodfaves), social media specialist en lid van onze vereniging. Ze heeft congenitale anosmie (aangeboren anosmie) en deelt haar ervaringen en inzichten als anosmist. Voor Reuksmaakstoornis.nl schrijft ze elke twee maanden een column. Veel leesplezier!
Het is een vraag die ik als anosmist vaak krijg: “Maar kun je dan wel proeven?” En eerlijk gezegd wist ik daar lange tijd zelf ook niet goed antwoord op te geven. Want even serieus… kunnen we eigenlijk wel proeven?
Toen ik bijna klaar was met de havo, moest ik een studie kiezen. Mijn plan was om psychologie te gaan studeren. Tot mijn beste vriendin met een opleiding kwam die mijn aandacht meteen trok: Food Innovation. Ik ging met haar mee naar een open dag en was meteen verkocht. Dit was de studie die ik wilde doen.
Er was alleen één probleem. Volgens de opleiding zijn smaak en geur onlosmakelijk met elkaar verbonden. En met anosmie is een voedingsopleiding nu niet bepaald de meest logische keuze. Na een paar gesprekken met het zorgteam kreeg ik toch toestemming om de studie te volgen, met enkele kleine aanpassingen. Vier jaar lang leerde ik van alles over eten, smaak en eetbeleving. Maar die ene vraag bleef terugkomen: kan ik eigenlijk wel proeven?
Wat is smaak?
Tijdens mijn opleiding leerde ik dat smaak bestaat uit geur, de vijf basissmaken – zoet, zuur, zout, bitter en umami – en mondgevoel. Omdat ik niet kan ruiken, zou mijn smaakervaring volgens die redenering dus beperkt moeten zijn tot alleen basissmaken en mondgevoel. Maar zo ervaar ik het zelf niet. Ik denk namelijk dat ik meer kan waarnemen dan alleen die twee.
Kaneel is daar voor mij een goed voorbeeld van. In theorie wordt de smaak van kaneel vooral bepaald door geur. Het is geen basissmaak en ook geen mondgevoel. Toch proef ik verschil tussen havermout mét kaneel en havermout zonder kaneel. Wat ik tijdens mijn studie leerde en wat ik zelf ervaar, lopen dus niet altijd precies gelijk. En daardoor is ‘smaak’ voor mij altijd een lastig begrip gebleven.
Wat als iedereen anders proeft?
Misschien is dat ook niet zo vreemd. Zintuiglijke ervaringen laten zich nu eenmaal moeilijk vergelijken. Kijk alleen al naar kleur. Misschien zien we allemaal iets anders, maar hebben we geleerd om daar dezelfde naam aan te geven. Misschien zie jij iets wat voor mij op paars lijkt, terwijl we het allebei groen noemen omdat we dat nu eenmaal zo hebben geleerd. Met smaak zou dat net zo kunnen werken. Misschien proef ik anders dan mensen die kunnen ruiken. Maar misschien proeven mensen die wél kunnen ruiken onderling ook allemaal anders. Wie kan dat controleren? En hoe weten ruikende mensen eigenlijk zo zeker dat ze “kunnen proeven”?
Dat ik verschil lijk te merken tussen havermout mét en zonder kaneel is lastig te verklaren. Maar misschien is die verklaring helemaal niet nodig. Als ik verschil ervaar, en dat verschil blijkbaar waardeer, maakt het dan echt uit of dat officieel ‘proeven’ heet? Heeft het zin om smaakervaringen van ruikende en niet-ruikende mensen te vergelijken? Zeker als we smaakervaringen überhaupt niet makkelijk kunnen vergelijken?
Smaken verschillen
‘Smaak’ lijkt mij een begrip dat is gevormd door mensen die kunnen ruiken. Dat is logisch, want de meeste mensen kunnen ruiken. Tegelijkertijd zorgt dat er ook voor dat geur en smaak als één geheel worden gezien, terwijl andere zintuigen veel minder sterk aan elkaar gekoppeld zijn. Als je smaak definieert als iets dat per se onlosmakelijk verbonden is met geur, dan kan ik inderdaad niet ‘proeven’. Maar zelf kijk ik daar anders naar. Ik probeer voor mezelf te ontdekken wat ik allemaal kan waarnemen en wat ik daarvan prettig of interessant vind. Door te spelen met wat ik wél ervaar – zoals kaneel – blijft eten voor mij boeiend.
In mijn TikTok-serie ‘Proeft Kato het wel of niet?’ onderzoek ik bijvoorbeeld welke ‘smaken’ ik kan waarnemen. Op die manier geef ik voor mezelf betekenis aan smaak, los van hoe anderen dat ervaren. En dat houdt eten voor mij interessant: het blijft iets om in te experimenteren, uit te proberen en opnieuw te beleven. Misschien proef ik anders dan andere mensen. Maar misschien proeft uiteindelijk iedereen anders. Dus als iemand mij vraagt of ik kan proeven, stel ik voortaan gewoon de vraag terug: “Kun jij eigenlijk wel proeven?”