Kato Sluis is foodvlogger (Foodfaves), social media specialist en lid van onze vereniging. Ze heeft congenitale anosmie (aangeboren anosmie) en deelt haar ervaringen en inzichten als anosmist. Voor Reuksmaakstoornis.nl schrijft ze elke twee maanden een column. Veel leesplezier!
“Gelukkig ruik jij de scheetjes van je vriend niet.” Ik weet niet hoe vaak ik die opmerking al heb gehoord. Of varianten daarop. “Dan heb je tenminste geen last van stinkende mensen in de trein.” “Dat lijkt me eigenlijk best relaxed.” Of mijn persoonlijke favoriet: “Waarom heb je dan eigenlijk een neus?”
Mensen bedoelen het bijna nooit vervelend. Vaak lachen ze erbij en meestal lach ik gewoon mee. Maar iedere keer denk ik hetzelfde: volgens mij heb jij geen idee hoe het is om niet te kunnen ruiken.
Laatst werd ik geïnterviewd voor een radiozender. Tijdens het gesprek kreeg ik de vraag: “Wat is nou het allergrootste voordeel van niet kunnen ruiken?”
Dat vond ik een lastige vraag. Niet omdat ik zoveel voordelen kon bedenken dat ik niet kon kiezen, maar omdat de vraag me overviel. Het voelde alsof mijn anosmie vooral werd gezien als een handigheidje. Alsof ik uit een lijstje met voordelen mijn favoriet mocht kiezen. Maar zo ervaar ik mijn anosmie natuurlijk helemaal niet.
Een andere opmerking die me is bijgebleven, kreeg ik tijdens een ontbijt met familie. We hadden het over mijn anosmie en ik vertelde dat ik bij hoofdpijn vaak voor de zekerheid een raam openzet. Dat doe ik niet voor de frisse lucht, maar omdat ik bang ben dat mijn hoofdpijn wordt veroorzaakt door een gaslek dat ik zelf niet kan ruiken.
“Zo hebben we allemaal wel wat,” kreeg ik als reactie.
Daar schrok ik van. Hoewel het niet slecht bedoeld was, voelde het alsof mijn handicap ineens werd teruggebracht tot een klein ongemak. Alsof het in dezelfde categorie valt als een onzekerheid of een slechte gewoonte.
Ik kan me hier soms boos over maken, omdat zulke opmerkingen laten zien dat mijn handicap niet altijd serieus wordt genomen. Niemand zou tegen iemand die blind is zeggen: “Gelukkig hoef jij de rommel op tafel niet te zien.”
Of tegen iemand in een rolstoel: “Dan hoef je tenminste nooit lang te staan.”
Natuurlijk zijn blindheid, een dwarslaesie en anosmie heel verschillende beperkingen. Maar opmerkingen die mensen bij anosmie heel normaal vinden, zouden ze bij andere beperkingen waarschijnlijk nooit maken.
Naar mijn idee vormt taal onze werkelijkheid. De manier waarop we over een onderwerp praten, heeft invloed op hoe we ernaar kijken en ermee omgaan.
Bij anosmie lijken mensen automatisch op zoek te gaan naar een voordeel. Alsof mijn beperking ook iets positiefs moet hebben. Maar de afwezigheid van een nadeel maakt nog geen voordeel. Dat ik bijvoorbeeld geen last heb van vieze geuren, maakt mijn anosmie natuurlijk nog geen meevaller.
Voor iemand die wél kan ruiken, klinkt dat misschien als iets positiefs. Maar ik weet niet hoe het is om die geuren wél te ruiken. Ik ken alleen de afwezigheid van geur.
Geur is misschien wel ons meest onzichtbare zintuig. We staan er nauwelijks bij stil hoeveel informatie we de hele dag ongemerkt via onze neus binnenkrijgen. Pas als geur wegvalt, merk je hoeveel invloed het op je leven heeft. Op veiligheid. Op eten. Op herinneringen. Op emoties. Op contact met andere mensen.
Maar iemand die altijd heeft kunnen ruiken, staat daar meestal nauwelijks bij stil. En hoe oneerlijk dat soms ook voelt, kun je dat eigenlijk niemand kwalijk nemen. Hoe kun je begrijpen wat je nooit hebt gemist? Hoe kun je de gevolgen van niet kunnen ruiken inschatten als je je nauwelijks bewust bent van de rol die geur in je leven speelt?
Dat is precies waarom ik video’s maak, columns schrijf en zo open ben over mijn anosmie. Niet omdat ik wil bewijzen dat anosmie veel invloed heeft, maar omdat ik hoop dat mensen zich gaan realiseren hoeveel invloed het op mijn leven heeft.
Opmerkingen als “dan ruik je tenminste geen vieze luchtjes” benadrukken voor mij niet de voordelen van mijn anosmie, maar laten juist zien hoe weinig mensen begrijpen wat de beperking eigenlijk inhoudt.
Ik geloof namelijk niet dat mensen anosmie bagatelliseren omdat ze ongeïnteresseerd zijn. Ik denk dat ze het bagatelliseren omdat ze niet beter weten. De enige manier waarop ik daar verandering in kan brengen, is door mijn ervaringen te blijven delen, zodat er ooit een moment komt waarop mensen niet meteen zeggen: “Gelukkig ruik jij de scheetjes van je vriend niet”, maar zich eerst afvragen: zou ik deze opmerking ook maken tegen iemand met een andere handicap?
Misschien zal iemand die kan ruiken nooit echt begrijpen hoe het is om zonder geur te leven. Maar dat is ook niet nodig. Zolang we maar stoppen met doen alsof er niets te begrijpen valt.